Henk Boonstra ( op de foto rechts ) heeft het stadium bereikt waar iedere soldaat reikhalzend naar uitziet: Een ere-boog boven de tuinpoort in Velsen-Noord, een paar kratjes Pils in de gang om de komende en gaande man te laven en foto's bij de hand om vragen over gezondheid en belevenissen vakkundig te kunnen beantwoorden. Hij is vorige week thuisgekomen en draagt het teken van wat velen noemen : de hoogste functie in dienst, n.l Het Burger Kloffie. Over zijn belevenissen is hij vrij schaars met mededelingen. Het is niet prettig om over narigheid te praten, die je meegemaakt en gezien hebt. Hij was tweede klas marinier met als standplaats Biak, en heeft als zodanig een groot aantal maanden in de bush gezeten, achter de ,, ploppers " aan. Na een opleiding van in totaal zeven maanden is hij regelmatig van het ene eind van Nieuw-Guinea naar ´t andere verhuisd. Vooal de Zuidkust, die herhaaldelijk geïnfiltreerd wordt, is zijn werkterrein geweest.
,,We hebben drie maanden lang constant in de rommel gezeten," zo vertelt hij. ,,Soms ging je een paar weken naar een der grote plaatsen om een beetje bij te komen en weer eens goed te eten. Wanneer we in de bush zaten dan werd het voedsel wel gedropt. De Dakota's wisten ons wel te vinden.
De voedselvoorziening was redelijk goed." Omtrent de para's vertelt hij: ,, Die blauwe jongens hebben veel ,,ari", (bluf). Ze beplakken zichzelf met allerlei onderscheidingstekens en insignes. Heel wat jongens nemen wat van deze dingen mee als souvenir. Ook de wapens worden vaak overgenomen. Die zijn het fijnste van het fijnste. Je moet ze wel inleveren maar zolang je op patrouille bent kun je ze mooi gebruiken. Ze zijn veel beter dan die van ons. Hoewel er geen enkel merkteken op is te vinden, denken we, dat ze van Tsjechische makelij zijn. Die dingen hebben we wel eens gezien op de film in Biak. Wij hebben van alles door elkaar. Meestal wapens, die al drie jaar in de oost zijn. Het kruit is ook veel te oud. We zouden al zolang een beter wapen krijgen, maar daar is nog niets van gekomen. De landmacht heeft het wat dat betreft beter. Die heeft allemaal nieuwe spullen.
Wat de opleiding betreft is de landmacht veel slechter af dan wij. Zij hebben geen bush-opleiding gehad. De verstandhouding met het kader is daar geheel anders. Zij hebben er minder vetrouwen in. De doden, die bij de KL gevallen zijn, waren hoofdzakelijk het gevolg van onvoorzichtigheid en stommiteit.
Bij ons is er veel strenger van het begin af aan op toegezien, dat je voorzichtig moet zijn met wapens, maar bij hun gebeuren er verschillende malen ongelukken mee. Wij moeten echter wel samenwerken, want er zijn anders te weinig mensen. Veel patrouilles worden dan ook gezamenlijk uitgevoerd, met bovendien de hulp van papoea-politie en vrijwilligers. Die kun je niet missen, want als verkenners zijn zij fenomenaal. Hun bushwerk is ,, uit-de-kunst." Alleen voor schieten zijn ze nog wel erg bang. Als dit gebeurt, dan kruipen ze bijna in de grond.
De Papoea's uit de kampongs zijn de Nederlanders vrij goed gezind. Als de para's in hun dorp komen of in hun tuinen zitten om voedsel te bemachtigen dan waarschuwen ze de Nederlanders wel, want ,, Dat Kan Nu Eenmaal Niet." In de andere gevallen interesseert het hen maar matig. De ploppers zijn zonder de hulp van de bevolking moeilijk op te sporen. Die blauwe jongens zijn nu eenmaal laf. We hebben erg gesloft dat ze dat zijn. Als ze ons zien, dan trekken ze aan hun palen. Als ze zich over willen geven, dan geven ze hun bewapening aan de bevolking, of gaan gewoon ergens op een pad zitten. Soms ook komen ze in een groep aanmarcheren en zijn ze erg blij. Ze hebben meestal geen voedsel meer, zijn gewond of ziek.
Bij de verhoren kom je het een en ander te weten hoe ze hiertoe gekomen zijn. Een van die jongens vertelde, dat ze op zekere dag het vliegtuig ingingen en gewoon opstegen, en dat pas in de lucht verteld werd waar ze naartoe gingen. De weigeraars werden met een pistool in de rug gedwongen te springen, anderen werden er uitgeduwd. De doden die aan hun zijde vielen waren lang niet altijd ten gevolge van gevechtshandelingen. Zo nu en dan hebben we er wel eens een doodgeschoten, maar ook waren er die verhongerd waren, door hun kameraden kapotgemaakt als ze zich wilden overgeven. Sommige jongens bewaarden enkele onderscheidingstekenen als souvenirs. Anderen konden er niet tegen, die lijken zo te zien liggen."